2 oktober 2022

Mensen met een handicap in de 2e wereldoorlog: Van Duitsland, Nederland en Groningen

Door Agnes van Wijnen

Er zullen weinig volwassenen zijn die geen weet hebben van de Holocaust, de totale uitsluiting, ontmenselijking en moord op miljoenen Europese joden door de Nazi’s. De laatste decennia hebben we bovendien kunnen leren over de systematische uitsluiting en vervolging van anderen zoals Roma & Sinti, Jehova’s getuigen en homoseksuele mannen en vrouwen. Allemaal mensen die door de Nazi’s onder leiding van Hitler als asociaal en onvolwaardig werden bestempeld. De Nazi-ideologie claimde de superioriteit van het Arische ras.

Datzelfde stempel van levensonwaardig zijn kregen gehandicapten en chronisch zieken ook, en al heel vroeg. In de actieve Nazipropaganda werden ze neergezet als minderwaardigen, onmensen, het leven niet waard. Mensen die bovendien volgens de nazi’s vooral een grote kostenpost en belasting voor hun gezinnen en de samenleving betekenden. Stempels en beelden met dramatische gevolgen. Via cartoons, schoolboeken, met films en in krantenartikelen werden deze beelden verspreid. De ‘onmensen’, die de zuiverheid van het ‘superieure Duitse ras’ bedreigden werden vervolgens onderworpen aan huwelijkswetten, gedwongen sterilisaties en moord op grote schaal. Het doel was al het ‘onwaardige leven’ volledig uit te roeien.

Over deze mensen met allerlei verstandelijke, lichamelijke en psychische beperkingen of chronische ziekten, en hun lot in het Nazitijdperk is in verhouding nog maar weinig bekend. Het onderzoek naar mensen met een handicap in WO2 in Nederland staat nog aan het begin. Over een deel van wat we nu weten gaat dit artikel.

Het verhaal begint in Duitsland in 1933 als Hitler Rijkskanselier wordt en alle macht naar zich toetrekt. Dan kijken we naar Nederland en naar wat de bezetting door de Nazi’s voor gehandicapten in Nederland voor gevolgen had. Ik eindig met een eerste stukje geschiedenis van mensen met een handicap in en om Groningen in deze oorlog.

Lees het hele artikel over mensen met een handicap in de 2e Wereldoorlog.

I DUITSLAND

EUGENETICA & GEDWONGEN STERILISATIES

Al op 1 januari 1934 treedt een wet in werking die het toestaat dat mensen, waarvan men met grote waarschijnlijkheid vermoedt dat ze een erfelijke ziekte hebben, gedwongen gesteriliseerd worden. De ‘wet ter voorkoming van nakomelingen met erfelijke ziektes’. [Gesetz zur Verhütung erbkranken Nachwuchses] Wie ‚Erbkrank‘ is volgens deze wet, zijn mensen die „lijden“ aan de volgende „ziektes“:

  1. Aangeboren zwakzinnigheid
  2. Schizofrenie
  3. Manisch-depressiviteit
  4. Epilepsie
  5. Huntington
  6. Erfelijke blindheid
  7. Erfelijke doofheid
  8. Zware erfelijke lichamelijke misvormingen

Deze wet was het begin van het uitroeiingsprogramma van de Nazi’s van iedereen die als onvolwaardig gezien werd. Het begon met het op grote schaal gedwongen steriliseren van kinderen en volwassenen -in meerderheid vrouwen en meisjes- met een handicap of chronische ziekte. Dat gebeurde in de instellingen in Duitsland waar ze ondergebracht waren. Mensen met allerlei handicaps of chronische ziekten. Onder hen ongeveer 17.000 dove mensen . Maar ruim de helft van mensen die gedwongen gesteriliseerd werden op basis van deze wet woonden bij hun ouders of pleegouders, in hun eigen woning of met hun eigen gezin. Dat blijkt uit onderzoek in de archieven van de stad Frankfurt am Main. Velen stierven vervolgens als gevolg van de sterilisatie of hadden levenslang last van de aangerichte schade, van psychische beperkingen en pijn.

De wet ter voorkoming van nakomelingen met erfelijke ziektes’ kwam niet uit de lucht vallen. Het heeft zijn oorsprong in de theorie van de eugenetica, het denken in meer- en minderwaardige rassen. Deze manier van denken werd door Comte en Darwin ontwikkeld in de 19e eeuw, en vond weerklank. Dat leidde in vele landen ter wereld tot wetgeving en uitvoering van gedwongen sterilisatie van mensen met een verstandelijke handicap of met een psychische stoornis die als ongeneeslijk werden beschouwd. Na Zwitserland in 1928 volgden de Scandinavische landen, Estland, Letland, Cuba, Tsjecho-Slowakije, Joegoslavië, Hongarije en Turkije. Maar het was in de Verenigde Staten in 1907 dat de gedwongen sterilisaties gelegaliseerd van start gingen. Voor 1939 waren daar al ruim 30.000 Amerikaanse burgers in 29 staten gedwongen gesteriliseerd. Pas in 1970 werden de sterilisatiewetten in de VS buiten werking gesteld. Tegen die tijd waren er in de VS ruim 65.000 mensen met een psychiatrische ziekte of verstandelijke beperking gedwongen gesteriliseerd vanwege hun handicap.

Duitsland was dus zeker niet het enige land waar het eugenetische denken in de praktijk werd gebracht. Het was wel het enige land waar de politieke situatie, de dictatuur onder Hitler, het mogelijk maakte het eugenetisch denken op zo grote schaal in de praktijk te brengen, in de vorm van gedwongen sterilisaties en later ook moord (euthanasie genoemd) op mensen met een handicap. Het was een belangrijk onderdeel van Hitlers raszuivere ideologie.

MOORD – De euthanasieprogramma’s

Het eerste euthanasieprogramma, later Aktion T4 genoemd, werd ontwikkeld om alle mensen met een handicap te elimineren die, volgens de racistische ideologie van de Nazi’s, de gezondheid en puurheid van het Duitse ras bedreigden. Het begint met de kinderen.

In augustus 1939 geeft Hitler bevel dat alle Duitse artsen, verpleegkundigen, gezondheidsfunctionarissen en vroedvrouwen verplicht zijn om kinderen met fysieke afwijkingen of een verstandelijke handicap te rapporteren. Ze krijgen een vergoeding voor dat rapporteren. Na dit decreet begint het registreren van kinderen met een handicap. Vervolgens worden deze kinderen naar ‘gespecialiseerde kinderafdelingen’ gebracht en daar vermoord. Dat gebeurt veelal door een injectie. Ook kwam het voor dat kinderen geplaatst werden in zogenoemde hongerhuizen waar ze langzaam stierven aan ondervoeding. Deze zogenoemde ‘kindereuthanasie’ wordt in het begin uitgevoerd op kinderen tot 3 jaar, later ligt de leeftijdsgrens bij 18 jaar.

Kort daarna, in oktober 1939 tekent Hitler de volmacht tot euthanasie op gehandicapte volwassenen en geeft Dr. Karl Brandt en Philipp Bouhler opdracht om de moorden uit te voeren. Zij moeten de bevoegdheden van artsen zo verruimen dat “[…] naar menselijk oordeel ongeneselijk zieken, na uiterst kritische beoordeling van hun ziektetoestand, de genadedood kan worden verleend.”

Alle inrichtingen in het Rijk moeten mensen met ernstige psychische ziektes, misvormingen, verstandelijke beperkingen of ongeneeslijke ziektes melden, vooral diegenen die volgens de beoordeling niet meer kunnen werken of langdurig patiënt zijn in een instituut of al lang niets meer van familie hadden gehoord. Aan de hand van de aanmeldingsformulieren beslissen de ‘Gutachter’, professoren in de psychiatrie of hoofden van instituten, tussen leven of dood voor de betreffende persoon. De uitvoering van de systematische moorden, de ‘volwassenen euthanasie’ start in januari 1940 in Grafeneck. Grafeneck is het eerste van 6 vernietigingsinrichtingen die speciaal hiervoor omgebouwd zijn. Ze hebben alle een gaskamer en ovens voor verbranding. Anderen zijn Brandenburg en Bernburg in de buurt van Berlijn, Hartheim (bij Linz in Oostenrijk), Sonnenstein bij Dresden. Hadamar, ten noorden van Frankfurt, werd als laatste van de geselecteerde instellingen eind 1940 omgebouwd tot vernietigingsinrichting en start op 13 januari 1941. Mensen worden vanuit andere instellingen in de regio naar deze vernietigingsinrichtingen vervoerd met de snel beruchte grijze bussen. De meeste mensen worden met gas (koolmonoxide) gedood.

Het T4 programma loopt van januari 1940 tot en met augustus 1941. In die periode worden alleen in Hadamar al 10.072 mensen vermoord. In Hartheim nog eens 18.269 mensen. Het zou totaal gaan om 70.233 mensen die in de zes officiële ‘Tötungsanstalten’ in het kader van het officiële T4 programma werden vermoord. Ander onderzoek spreekt over zeker 275.000 mensen die onder het T4 programma vermoord werden.

Ondanks pogingen om de echte bedoeling van het T4 programma te verbergen ontstond er in de zomer van 1941 steeds meer onrust en publiek protest van ouders en geestelijken tegen het moorden. In reactie daarop beval Hitler op 24 augustus 1941 een onmiddellijk einde aan alle ‘genadedood’ of euthanasie acties in de euthanasie centra.

Op 25 oktober 1941 sturen de organisatoren van het T4 programma een brief aan het Reichskommissariat Ostland, de zogenoemde gaskamerbrief. Zij willen de gaskamer-technologie inzetten voor de vernietiging van de joden. Ook wordt personeel van de opgeheven ‘Tötungsanstalten’ overgeplaatst naar de concentratiekampen in het oosten.

Gedecentraliseerde euthanasie, dat is de naam van het tweede euthanasieprogramma. Het doden van gehandicapten ging vanaf augustus 1942 door tot het eind van de oorlog in instituten in heel Duitsland. De organisatie werd niet langer door Berlijn gedaan. De verantwoordelijkheid lag nu bij regionale overheden en de Länder. Het leek aan de buitenkant of bijvoorbeeld Hadamar zijn gewone werk van zorg voor mensen met een handicap weer had opgepakt. Maar vanuit heel Duitsland en vanuit bezette gebieden als Polen en de Sovjet-Unie werden mensen naar Hadamar gebracht. Ook voormalige Duitse soldaten in shock. De mensen die gedood werden waren die mensen die steeds meer werden bestempeld als last in de context van de oorlog en vanuit de Nazi-ideologie van raszuiverheid. Binnen de instelling werd het werk gekenmerkt door doelgerichte moorden. Dagelijks werden mensen door de medische staf geselecteerd om gedood te worden. Nu gebeurde dat door het dienstdoende verplegend personeel door middel van het toedienen van overdosis medicijnen via pillen of injecties. Daarnaast werden veel mensen gedood door uithongering en extreme verwaarlozing.

II NEDERLAND

Deze Nazi-ideologie werd ook in bezette gebieden toegepast, dat was het geval in Polen, Oostenrijk en de Sovjet-Unie. In Oostenrijk bijvoorbeeld werd naast het eerdergenoemde Hartheim een T4 programma uitgevoerd in de instelling Am Spiegelgrund waar in de oorlog kinderen en volwassenen met verstandelijke beperkingen en psychische ziekten verbleven. Zij werden onderworpen aan marteling en experimenten, en bijna 800 mensen werden er vermoord. [De psychiater H. Gross, die op de kinderafdeling werkte had daar een belangrijk aandeel in. Daarnaast haalde hij de hersenen uit de kinderlijken voor studie. Pas in april 2002 werden deze menselijke resten begraven.]

Dat de nazi-ideologie ook toegepast werd in andere bezette gebieden werpt de vraag op wat er met gehandicapten in Nederland is gebeurd tijdens de bezetting door de Nazi’s.

EUGENETISCHE STERILISATIES

Over de praktijk van sterilisaties in Nederland is weinig bekend. Nederland heeft geen wetgeving gekend die gedwongen sterilisaties van mensen vanwege een handicap of chronische ziekte legaal maakte, ook niet in de periode voor de oorlog toen veel landen dergelijke wetgeving hadden en in de praktijk brachten. Er is voor de oorlog veel over gediscussieerd onder professionals en wetenschappers - onder andere over de vraag of segregatie, het scheiden van mannen en vrouwen erger was dan sterilisatie - maar een wet is er niet gekomen. Onder andere omdat men de staat hier geen macht over wilde geven. Of er desondanks illegaal gesteriliseerd werd in inrichtingen vraagt verder onderzoek in de archieven van instellingen. Jan Noordman, die in de negentiger jaren onderzoek deed naar eugenetica in Nederland concludeert dat het waarschijnlijk wel gebeurde, maar niet op grote schaal.

Er was wel sprake van sterilisaties van joodse mensen op basis van de Neurenberger wetten die in Nederland golden tijdens de bezetting. In mei 1943 bepaalde de bezetter dat gemengd gehuwde Joden voor sterilisatie in aanmerking kwamen. De Nazi’s presenteerden dat als een vrijwillige maatregel, maar als men niet gesteriliseerd wilde worden volgde deportatie naar Oost-Europa.

UITSLUITING, DEPORTATIES EN MOORD

Het begon met uitsluiting van onderwijs. Scholen kregen van de Duitse bezetter, via de burgemeester, het bevel om alle joodse kinderen weg te sturen. Vanaf 1 september 1941 was het voor joodse kinderen met en zonder handicap verboden naar school te gaan. Dat gold ook voor leerlingen in het speciale onderwijs. Het overkwam Clara van Coevorden, een blind meisje dat op haar 6e leerling werd van het Instituut voor Onderwijs aan Blinden in Haren. Op 19 september 1941 keerde ze terug naar haar ouders in Groningen, omdat joodse leerlingen vanaf 1 september van onderwijs uitgesloten worden door de Duitse bezetter. Op 8 november keert ze weer terug naar Haren omdat de directeur van de school voor blinden kennelijk toch toestemming voor haar heeft geregeld. De bezetter in de persoon van de Secretaris-Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming benadrukte “dat het in de bedoeling ligt, om de Joodsche kinderen in staat te stellen het onderwijs, dat zij thans genieten, te vervolgen, zij het dan in afzonderlijke onderwijsinrichtingen.”

Scholen kregen verder de opdracht om de gegevens van de betrokken leerlingen door te geven. De naam, geboortedatum en het adres van alle joodse leerlingen moest “ten spoedigste” worden doorgegeven aan de gemeente. Met de kennis van nu zie je dat zo de scholen gebruikt werden bij de administratieve voorbereiding van de razzia’s en deportaties.

In september 1942 begon de deportatie van joodse burgers uit Nederland. Onder hen ook joden met een functiebeperking of chronische ziekte; mensen met een psychische aandoening, een verstandelijke beperking, blinden, doven en mensen met een lichamelijke beperkingen en ouderen.

Een deel van deze joodse zieken en gehandicapten verbleef in joodse instellingen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, maar niet iedereen. De gegevens over hun verblijfplaats waren in het bezit van de directies van de instellingen, die de met een J gemerkte persoonsbewijzen van joodse patiënten onder hun hoede hadden. En bij de gemeente- secretariaten, die wisten welke patiënten op gemeentekosten, of met een gemeentelijke bijdrage in zogenoemde gestichten verpleegd werden. Dat laatste betrof vooral chronisch zieken en psychiatrisch patiënten. Naar die informatie ging de bezetter op zoek, en met succes. Hoewel verschillende burgemeesters en directies van instellingen hun medewerking weigerden, was het eind 1942 bij de bezetter bekend dat totaal ongeveer 8000 joodse patiënten in Nederland verpleegd werden. Vele joodse instellingen werden ontruimd en gedeporteerd.

Begin januari 1943 vond de vermoedelijk eerste deportatie in Nederland plaats van totaal bijna 1000 joodse patiënten uit instellingen in den Haag en omgeving.

In januari werden ook de joodse psychiatrisch patiënten uit ‘krankzinnigengesticht’ Oud Rozenburg bij Loosduinen weggevoerd, waarschijnlijk naar Westerbork. De toenmalige directeur heeft de aangekondigde ontruiming gemeld aan de officier van justitie, de inspecteur van het staatstoezicht en het bestuur van de stichting. ‘Deze personen en instanties hebben zich niet daadwerkelijk verzet tegen het op transport stellen van de in de stichting verpleegde Joodse patiënten. Het bestuur van de stichting in persoon van de voorzitter heeft mij opdracht gegeven, in zoverre mede te werken dat er geen moeilijkheden met de Duitsers zouden ontstaan.’

Het meest bekende verhaal over mensen met een handicap in de Tweede Wereldoorlog is waarschijnlijk de geschiedenis over de ontruiming van Het Apeldoornsche Bosch begin 1943. In het standaardwerk over de oorlog, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog beschrijft Dr. Lou de Jong ook deze geschiedenis. In haar 4-meilezing op de Dam in 2021 benoemt Roxane van Iperen, auteur en jurist, de massamoord op de ‘nutteloze eters’ zoals de Nazi’s hen zien, de 200.000 Duitse ouderen, chronisch zieken en gehandicapten. En ze noemt ook de ontruiming van de Nederlands-joodse instelling Het Apeldoornse Bosch, waar 1200 psychiatrisch patienten en mensen met een verstandelijke beperking, en 50 personeelsleden werden weggevoerd en vermoord.

Van Iperen legt op 4 mei ook een lijntje van de eugenetische moord op honderdduizenden gehandicapten en ouderen met het recente debat over de selectie, ‘triage’ rond het coronavirus. Wie wordt geholpen als de afdelingen voor Intensive Care in de ziekenhuizen vol raken? “Minderheden die hun waarde moeten aantonen: nog zo’n groef die blijft terugkeren […] De kern: wie verdient een plek aan tafel, wanneer de tafel te vol wordt?” Ze onderstreept het belang van onder ogen zien van de afschuwelijkste gebeurtenissen en onze eigen rol daarin, al is dat uiterst pijnlijk. En bovenal invulling te geven in het heden aan het ‘nooit meer...’

Wat gebeurde er in het Apeldoornsche Bosch? Na een bezoek aan de instelling van de hoge SS ‘er Aus der Fünten op 11 januari 1943 volgt zijn besluit dat de hele instelling moet worden geëvacueerd. De instelling met al haar faciliteiten vormt een perfect herstellingsoord voor de mannen van de Waffen-SS. Maar de plek moet wel ‘Judenrein’ gemaakt worden. Op 19 januari pakt de politie daarom ook bijna alle joodse inwoners van Apeldoorn op en brengt die naar de instelling. De volgende dag arriveert de kampcommandant van Westerbork met 100 man hulptroepen van de joodse Ordedienst. Die avond vluchten zeker 200 personeelsleden en 80 patiënten. In de nacht van 21 januari komen de vrachtwagens. Met veel geweld en geschreeuw werden mensen uit de paviljoens gehaald, sommigen aangekleed, anderen in pyjama, naakt of in dwangbuis, en in de vrachtwagens gegooid.

Buiten was het 5 graden boven nul. Ze worden naar station Apeldoorn gereden en daar in goederenwagons geladen. Mensen worden op elkaar gestapeld, de wagons raken meer dan overvol. De volle wagons worden ruw afgegrendeld waarbij de vingers van sommigen verpletterd worden. De luchtkokers worden van buitenaf gesloten. Op vrijdag 22 januari vertrekt de trein naar Auschwitz-Birkenau, waar hij op 24 januari aankwam, de 1250 mensen van het Apeldoornse Bosch. Na aankomst werden de patienten in vrachtwagens rechtstreeks naar de grote vuurkuilen gereden waarin de lijken van de vergasten verbrand werden. Daar werden ook de levenden uit Apeldoorn bijgegooid, gevolgd door een lading hout en petroleum. Deze wijze van massamoord werd in Birkenau volgens de Jong vaker toegepast op slachtoffers voor wie men het in werking stellen van de gaskamers niet noodzakelijk vond.

Op het terrein van het Apeldoornse Bosch in Apeldoorn is in het Prinsenpark op 4 april 1990 een monument onthuld. Het is een gedenkmuur met daarop een dichtregel van Ida Gerhardt:
“Nooit heb ik wat ons is ontnomen zo bitter, bitter, liefgehad.”
Jaarlijks op 21 januari worden hier de mensen en kinderen met psychische ziektes en verstandelijke beperkingen herdacht die op zo gruwelijke wijze aan hun einde zijn gekomen.

Maar hier hielden het geweld en de deportaties niet op, vele instellingen volgden. Joodse instellingen werden volledig gedeporteerd, niet-joodse instellingen werden vaak gedwongen hun administratie te tonen en zo hun joodse inwoners aan te wijzen, waarop die ook gedeporteerd werden.

Op 2 februari 1943 werden zo 17 joodse psychiatrisch patiënten, onder wie joodse onderduikers uit de instelling in ‘Santpoort’, van de Willem Arntsz Hoeve in den Dolder ontdekt en weggevoerd. Later dat jaar op 27 november en 13 december volgden nog 2 razzia’s op zoek naar joodse inwoners van de Willem Arntsz Hoeve. Totaal werden 35 patiënten gearresteerd en naar concentratiekampen afgevoerd. Slechts 1 van hen overleefde dat.

Een dag later, op 3 februari, volgde de ontruiming van verpleeghuis het A.C. Wertheimhuis in Amsterdam. De 32 inwoners en personeelsleden werden weggevoerd. Bewoners gingen naar Auschwitz, zij werden daar op 12 februari omgebracht. Personeelsleden werden vermoedelijk naar Sobibor gedeporteerd en aldaar vermoord.

Later in diezelfde maand volgde de deportatie van joodse patiënten uit het Zuidwalziekenhuis in den Haag. Behalve degenen die aan besmettelijke ziektes leden werden ook de meest ernstig zieken meegenomen. Brancards werden niet gebruikt; mensen die niet konden lopen werden over het perron naar de trein voor Westerbork gesleurd, velen slechts in pyjama’s gekleed.

Op 1 maart 1943 werden de bewoners van de Joodse Invalide, een tehuis voor mindervaliden dat in 1911 in Amsterdam werd opgericht allemaal gedeporteerd. De Joodse Invalide aan het Weesperplein 1, voorzag in hulp aan ruim 400 bejaarden, lichamelijk gehandicapten, blinden en doven. In 1937 vond nog nieuwbouw plaats. Op 1 maart werd de Joodse Invalide door de nazi’s ontruimd en werden alle ruim 400 inwoners en het personeel op transport gesteld via Westerbork, naar concentratiekamp Sobibor. Sommigen overleden al in Westerbork. Op 13 maart 1943 werden de meesten vergast in Sobibor. Ook deze ontruiming ging met veel geweld gepaard, aldus De Jong; ‘Kisch zag in Amsterdam hoe bejaarde patiënten [ ] de trappen afgesmeten werden [ ]’.

Later in maart werden de joodse psychiatrisch patiënten uit de Nederlands-Hervormde Stichting voor Zenuw- en Geesteszieken te Assen gedeporteerd. Ook hier werd verzet geboden, beschrijft de Jong. Achtereenvolgens weigerden de geneesheer-directeur dr. A. van der Graaff, zijn plaatsvervanger dr. C.W. van Rooyen, en de administrateur A. Strop mee te delen wie onder de patiënten joden waren. Alle drie werden gearresteerd en enkele weken vastgezet.

Op 7 april 1943 volgde de ontruiming van ‘Beth Azarja’ bij Hilversum. Dit was een instelling voor joodse verstandelijk gehandicapte kinderen, opgericht in 1919 door de Rudelsheimstichting. Op Beth Azarja probeerde men de kinderen vaardigheden te leren waarmee zij een min of meer zelfstandig bestaan zouden kunnen leiden. Op 7 april werden alle 75 kinderen weggevoerd naar concentratiekamp Sobibor. Daar werden ze op 16 april 1943 om het leven gebracht.

Nog voor de zomer werden ook 3 joodse leerlingen van Visio, het Instituut tot Onderwijs van Blinden (IOB) in Huizen weggevoerd naar Sobibor en daar op 7 mei vermoord. En ook Barend Kool een joodse mandenmaker en bewoner, van het Gesticht voor Volwassen Blinden van Visio in Huizen, werd weggevoerd. Hij werd op 28 februari in Auschwitz vermoord op de leeftijd van 23 jaar.

Vermoedelijk ook in 1943 werden de joodse patiënten uit het Joles ziekenhuis in Haarlem opgehaald en gedeporteerd naar een concentratiekamp. Het Joles ziekenhuis, een vleugel van het St. Elisabeth Gasthuis gefinancierd door de Joodse gemeente in Haarlem, behandelde gemiddeld een vijftal joodse patiënten.

In de oorlog moesten joodse doven in Nederland zowel de zogenoemde jodenster dragen als een armband waarop het woord ‘Taub’ stond. Bij de ingang van het concentratiekamp werden ze meteen uit de rij gehaald en naar de gaskamer gestuurd.
Er zijn vermoedelijk rond de 700 Joodse doven uit Nederland gedeporteerd naar concentratiekampen en daar vermoord. Slechts een enkeling overleefde de oorlog. In 2010 heeft de Dovengemeenschap voor hen een monument opgericht in Amsterdam, aan het Hortusplantsoen 2. Het monument werd onthuld op 17 oktober 2010, er staat in letters en in gebarentaal: “De wereld bleef doof. Ter nagedachtenis aan de Joodse Dove slachtoffers van het Naziregime, 1940-1945.”

Twee verhalen uit Groningen en Ommeland

Op 9 maart 1943, als de deportatie van joodse gehandicapten uit Nederland in volle gang is, worden vier joodse patiënten van psychiatrisch ziekenhuis Groot Bronswijk in Wagenborgen via Groningen naar Westerbork gebracht, onder leiding van een politieman. De directeur van Groot-Bronswijk heeft opdracht gekregen om de vier joodse bewoners uit te leveren aan de bezetter. Dat gebeurt. Het zijn Betje Stoppelman, 47 jaar en haar zus Sientje Stoppelman, 35 jaar. Beide geboren in Oude Pekela. Verder Heintje Levie, 52 jaar oud en geboren in Termunten en Heiman Aptroot, 19 jaar en geboren in Hoogezand. Ze staan bij de bushalte op de bus van 10 voor 11 te wachten met een koffertje, en weten niet waar ze heen gebracht worden, alleen dat het te maken heeft met dat ze joods zijn. Vroeg in de volgende ochtend op 10 maart 1943 vertrekken ze samen met 1105 andere joden met het 2e transport van Westerbork naar Sobibor. Op 13 maart worden Betje en Sientje Stoppelman, Heintje Levie en Heiman Aptroot direct na aankomst in Sobibor samen met 1105 andere joden vergast en verbrand. Elk jaar op 9 maart om 10:50 precies worden ze herdacht bij het monument voor hun nagedachtenis.

Clara van Coevorden wordt op 26 oktober 1930 geboren aan de Ruiterstraat 7a in Groningen. Ze is de dochter van Joël van Coevorden en Schoontje van der Veen. In 1936 wordt ze op 5-jarige leeftijd leerling van IOB/Visio in Haren. Clara is blind. Op 19 september 1941 keerde ze terug naar haar ouders in Groningen, omdat joodse leerlingen vanaf 1 september van onderwijs uitgesloten worden door de Duitse bezetter. Op 8 november keert ze weer terug naar Haren omdat de directeur van de school voor blinden kennelijk toch toestemming voor haar heeft geregeld. In 1942 werden vrijwel alle joden uit Haren naar Westerbork gebracht. Tijdens de razzia van 28 november 1942 wordt Clara, net als andere zieken en gehandicapten overgeslagen. Maar op 9 april 1943 wordt Clara weggevoerd naar Westerbork. Op 13 april 1943 wordt Clara, samen met haar moeder Schoontje van der Veen van Westerbork gedeporteerd naar Sobibor. Op 16 april 1943 worden beide direct na aankomst vergast in Sobibor, Clara is dan nog maar 12 jaar.

In mei 2018 is het plein voor het blindeninstituut aan de Rijksstraatweg 286 in Haren vernoemd naar Clara van Coevorden. Er ligt sinds 2010 een struikelsteen met haar naam voor de deur van Visio De Heukelom, voor de Vlindertuin, in Haren.

Er zijn nog meer verhalen van joodse gehandicapte mensen die weggevoerd en vermoord zijn uit andere instellingen, inrichtingen en gestichten in Nederland. Uit Venray, Deventer, Eindhoven, Noordwijk, Wolfheze, Grave, Amersfoort, Zutphen, … en ga zo maar door.

Er zijn meer verhalen over hele instellingen, bijvoorbeeld Santpoort en Dennenoord waarvan de bewoners naar andere inrichtingen zijn overgeplaatst, bijvoorbeeld omdat het terrein door de bezetter werd opgeëist. Ze werden naar andere inrichtingen geëvacueerd die al meer dan vol waren, met alle gevolgen voor onder andere een gebrek aan voedsel, hygiëne en zorg.

Maar er is nog een verhaal wat verteld kan en moet worden naast het verhaal over deportatie en moord van joodse gehandicapten in concentratiekampen ver weg in Auschwitz of Sobibor. Omdat het een ander licht kan werpen op de geschiedenis zoals we die tot nu toe zien. Namelijk het overheersende beeld dat het in Nederland alleen om joodse gehandicapte slachtoffers gaat. En het beeld dat het vermoorden van gehandicapten alleen elders heeft plaats gevonden, ver weg in Auschwitz of Sobibor in plaats van ook in Nederland. Dat is al een ontzettend gruwelijk en afschuwelijk gegeven. Maar er zijn meer slachtoffers en andere gruweldaden, andere plekken en andere manieren waarop inwoners van inrichtingen omgebracht zijn. En die moeten ook gezien worden.

Het andere verhaal: De Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder

Het onderzoek door Marco Gietema en Cecile aan de Stegge, vastgelegd in hun boek “Vergeten slachtoffers” uit 2017, over de Willem Arntsz Hoeve in de Den Dolder in de Tweede Wereldoorlog vertelt dat andere verhaal. Het beschrijft voor het eerst een Nederlandse inrichting voor psychiatrisch patiënten en verstandelijk gehandicapten, mensen met dementie of epilepsie in de oorlog, en de torenhoge sterfte die daar in die periode plaats vindt. Alleen al op de Willem Arntsz Hoeve gaat het om honderden gehandicapte mensen die onder steeds slechtere omstandigheden zijn overleden. Om precies te zijn 1163 patiënten zijn tijdens de hele duur van de oorlog gestorven. Dat is een 2 tot ruim 4 maal zo hoge sterfte als onder de rest van de bevolking in Nederland tijdens de oorlog.

De sterfte in de Hoeve is gemiddeld bijna 7 keer zoveel als voor de oorlog. En werden vrouwen in de Hoeve in 1940 nog gemiddeld 65 jaar, in 1945 was dat gedaald naar 58 jaar. Mannen werden gemiddeld in 1940 nog 68 jaar en in 1945 nog slechts 51 jaar.

Hoe kwam dat?

Gietema en aan de Stegge keken in de archieven naar de directe oorzaak van de grote sterfte. Ze ontdekken dat “doodsoorzaken van bewoners [van de Hoeve] die samenhangen met ziekten die het gevolg zijn van een gebrek aan bepaalde typen vitamines of van honger in algemene zin, zo sterk in frequentie stegen dat zij de oorzaken waar psychiatrisch patienten normaliter aan stierven verdrongen”. De belangrijkste doodsoorzaak bij patienten van Duin en Bosch en van Santpoort op de Hoeve was ondervoeding. De evacuees kregen kennelijk nog minder te eten dan de oorspronkelijke bewoners van de Hoeve. In de Hoeve was de belangrijkste doodsoorzaak longontsteking, waarschijnlijk als gevolg van de nauwelijks werkende verwarming in hun paviljoens in combinatie met de verzwakking door de honger.

Via bij de stichting werkzame NSB’ers waren er jarenlang klachten binnen gekomen bij de Duitse autoriteiten, onder andere over de sterk anti-nationaalsocialistische houding van het gros van het personeel. In 1942 greep de bezetter in. Op 10 oktober werd het regentencollege, het bestuur, van de Willem Arntsz Stichting vervangen door drie vooraanstaande nationaalsocialisten. Op 1 juni 1943 kwam er ook een nieuwe geneesheer-directeur op de Hoeve. Gietema en aan de Stegge schrijven: “Met de nationaalsocialistische Keulemans komt […] een man aan het bewind die zich totaal niet bekommert om zijn verantwoordelijkheid voor de directe patiëntenzorg. Hij legt zijn prioriteit bij het behalen van de Duitse overwinning […]. Zo stuurt hij bijvoorbeeld nog personeelsleden naar Duitsland terwijl er al forse tekorten aan verpleegkrachten bestaan.” Keulemans eiste van zijn personeel onvoorwaardelijke medewerking aan de deportatie van joodse bewoners. Mensen die dat weigerden werden gearresteerd. De weerzin tegen deze directeur [… leidt tot een nog groter personeelstekort want] “steeds meer verpleegsters worden ofwel zelf ziek, of nemen […] zelf ontslag. De hygiëne laat hierdoor steeds meer te wensen over.” Dit hygiëne probleem werd versterkt doordat de directie sterk op waterverbruik bezuinigde. Mensen konden zich dus minder vaak wassen, of gewassen worden. Idem kleding en beddengoed. Het door de oorlog bestaande voedseltekort werd groter doordat de directie bezuinigde op voedsel. In 1943 werd zelfs al 11.000 gulden minder aan voedsel uitgegeven terwijl de prijzen sterk waren gestegen. Er vond ook veel diefstal plaats van graan, groente en aardappels, en bovendien werden op de Hoeve verbouwde aardappels en rogge deels verkocht om winst te maken, en deels gevorderd door de Wehrmacht die zich met een legergroep op de boerderij gevestigd had. Melk van de koeien verdween. Het verwarmingsprobleem had wellicht verminderd kunnen worden met het stoken van hout uit de eigen bossen. Dit hout werd echter ook verkocht, met flinke winst, evenals het vee van de boerderij op de Hoeve. Ook werd de paviljoens verboden zelf kachels te plaatsen en te stoken. Een verbod wat, zoals geneesheer Rombouts van Santpoort later in de boeken schreef, genegeerd werd “omdat dit verbod kennelijk voortkwam uit dezelfde mentaliteit die zenuwpatiënten het liefste opruimde en een gevangenisdieet voor hen reeds ruimschoots voldoende vond”.

De opbrengsten en de bestaande reserves in geld, voedsel, vee en hout hadden ingezet kunnen worden om de conditie van patiënten te verbeteren - velen wogen in die tijd niet meer dan 50-55 kg - en hun overlevingskansen te vergroten. De middelen werden echter gebruikt voor het aflossen van leningen en het spekken van het pensioenfonds voor het personeel. Dit was de situatie in november 1944, aan het begin van de hongerwinter. Zelfs toen er in maart 1945, midden in de hongerwinter door het Zweedse Rode Kruis margarine en meel voor brood gratis werd aangeboden aan inwoners van Den Dolder en aan de WA Hoeve maakte Keulemans geen haast dit in ontvangst te nemen. Dat was 2,5 brood per patiënt minder.

Er was kortom een situatie waarin de leiding van de Willem Arntsz Hoeve het totaal niet belangrijk vond om te voorzien in de eerste levensbehoeften van de patiënten, om te zorgen dat ze gezond en in leven bleven. Dit is zichtbaar in vele beslissingen van de NSB-leiding. Het gaat om bewuste en stelselmatige verwaarlozing; door verwarming te onthouden, voedsel te onthouden, zorg en middelen om de hygiëne op peil te houden te onthouden. Waardoor mensen uitgehongerd en extreem kwetsbaar voor levensgevaarlijke ziektes werden. En “stierven als sneeuw voor de zon”, zoals ex-bewoner C. den Hartog schreef. Het enorm hoge aantal sterfgevallen was niet nodig geweest, er was meer graan, groente, melk, eieren en vlees beschikbaar. Er was hout genoeg om meer verwarming te bieden en er was meer water om de hygiëne op een hoger peil te houden dan het geval was.

De vergelijking met de euthanasiepraktijken in Duitse instellingen voor gehandicapten dringt zich op. Op het gebruik van injecties en overdosis pillen na. Was die enorme sterfte misschien de bedoeling? Werd de nazi-ideologie waarin mensen met een handicap als ‘Untermenschen”, als last en levensonwaardig werden gezien hier door de NSB-leiding in de Willem Arntsz Hoeve in de praktijk gebracht?