Prehistorie en Oudheid (tot 500)

Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat mensen in een primitieve samenleving en ondanks de barre prehistorische tijden meer dan eens voor hun zwakke stamgenoten wilden zorgen. Opgegraven skeletten van volwassenen met een handicap bewijzen dit. Ook de ontdekking van talrijke doorboorde schedels uit het Neolithicum (ca. 4000 tot ca.1500 voor Christus) o.a. in La Pastora bij Alicante (Spanje) tonen ons de poging van medicijnmannen om stamgenoten die opvielen door hun vreemd gedrag te helpen. Via een schedelboring hoopte men de boze geesten, die volgens hen oorzaak waren van dit gedrag, uit het gekwelde lichaam van de bezetene te bevrijden. Verscheidene ‘patiënten’ overleefden die ingreep toch zeker enige tijd. Dat merken archeologen aan de kalkaangroei aan de randen van het schedelgat. Belangrijk was de zorgintentie die toen ook bestond! De algemene, harde levensomstandigheden in de prehistorische tijden begrensden de levenskansen van zwakke en gehandicapte mensen natuurlijk meer dan die van hun stamgenoten.
Bron: B. Wuyts, 2005

3500 voor Christus

De Rig-Veda, een oud heilig gedicht uit India, wordt gezien als het document waar voor het eerst een prothese wordt genoemd. Het is geschreven in het Sanskriet en verhaalt over koningin Vishpla, die een been verloor in een oorlog. Zij kreeg een ijzeren prothese en keerde terug naar het slagveld.

Griekse en Romeinse tijd

In de Oudheid vonden de Griekse en de Romeinse gezagsdragers en verscheidene invloedrijke filosofen dat elk kind dat met een zichtbaar ‘gebrek’ geboren werd moest worden gedood of te vondeling gelegd worden. Een misvorming strookte niet met het staatsideaal van krachtige, mooi gevormde mensen. Men zag het als een slecht voorteken of als een straf van de Olympische goden.
Bron: B. Wuyts, 2005

Blinde mensen
Blinde burgers met enige intellectuele begaafdheid brachten het in de Grieks-Romeinse Oudheid dikwijls verder dan anderen met een handicap, vooral als ze behoorden tot een welgestelde familie. In Griekenland genoten ‘blinde profeten’ zoals Tiresias, Phineus, Euenius en Ophioneus enig aanzien. Hun blindheid werd beschouwd als een uiterlijk teken van het innerlijke, bijna bovennatuurlijke licht van wijsheid dat in hen straalde. Deze benadering was echter niet weggelegd voor blinde mensen van simpele komaf. Velen werden afgewezen, verzeilden in de armoede en de bedelarij. Bij de Romeinen was het tot in de keizertijd gerbuikelijk om blinde jongens te verkopen als galeislaven en blinde meisjes te verhuren als prostituees.
Bron: B. Wuyts, 2005

Geleidehond voor blinden
In Herculaneum, nabij de Vesuvius in Italie, kende men al het gebruik van een hond voor het geleiden van een blind persoon. Dit blijkt uit muurschilderingen die bij opgravingen zichtbaar zijn geworden. Op de muurschildering is een hond te zien die een blind persoon geleidt.
Bron: Leendert van de Merbel

Dove mensen
Aristoteles (384 – 322 v. Chr.) beweert in zijn boek Historia Animalium (ca. 350 v. Chr.) dat doof geboren mensen niet in staat zijn om te denken. Ze zijn prelinguaal doof. Ze kunnen volgens de filosoof en verschillende tijdgenoten immers geen taal ontwikkelen als ze geen woorden horen. Ze kunnen dus niets aanleren. Bovendien meende hij dat ze geen verstaanbare klanken konden uitbrengen. Dit is de voorgeschiedenis van het etiket ‘doofstom’ dat heel lang ten onrechte gebruikt werd.
Bron: B: Wuyts, 2005

Kleine mensen

In het oude Egypte konden kleine mensen hoge posities innemen. Seneb was een topambtenaar in dienst van de farao. Hij was getrouwd en had twee kinderen. Op zijn graf staan niet minder dan 20 titels genoemd, waaronder 'vriend van het paleis', 'priester van 'Wadjet', 'leider van de administratie van de kroon van Beneden-Egypte' en 'opzichter van de dwergen die verantwoordelijk zijn voor het linnen'. Hij werd gewaardeerd en had een hoge functie. Die functie had hij wel te danken aan het feit dat hij klein was. De kleine gestalte van dwergen werd door de Egyptenaren gezien als een goddelijk voorkomen. Bron: Bert Gevaert, "Het grote verhaal van kleine mensen", 2017. Interview met Caroline Kraaijvanger op scientias.nl

Kleine mensen vielen bij de rijke Romeinen in het begin van onze jaartelling erg in de smaak als bron van vermaak. Ze traden op als potsierlijke grappenmakers tijdens de feestmaaltijden. Als ze daarbij een bochel en een verstandelijke beperking hadden, dan wilde men op de slavenmarkt een hoge prijs voor hen betalen.
Bron: B. Wuyts, 2005

Toch zijn er ook kleine mensen opgeklommen tot vertrouweling of adviseur van de keizer. "In de eerste eeuw na Christus was het keizer Domitianus die een grote rol bedacht voor mensen van kleine gestalte in zijn rijk. Hij besloot gladiatorenshows te organiseren waarbij de mythologie werkelijkheid werd. In enkel mythes wordt gerept over dwergen die de strijd aangaan met kraanvogels. Domitianus liet uit alle hoeken van het land dwergen aanrukken en leidde ze op tot gladiators, vuistvechters en dansers en maakte de mythes werkelijkheid." Bron: Bert Gevaert in een interview met Caroline Kraaijvanger op scientias.nl 2017

Hippocrates
Naast bijgeloof en magie was de medische school van Hippocrates van Cos (Griekenland, 460 – 370 v. Chr.) baanbrekend voor een wetenschappelijkere behandeling van zieke en gehandicapte mensen. Hippocrates wordt wel eens de vader van de geneeskunde genoemd. Hij laakte de gangbare praktijken van het doden en te vondeling leggen van pasgeboren kinderen met een zichtbare handicap. De positieve ideeën van Hippocrates raakten daarna bijna 1400 jaar in de vergetelheid.
Bron: B. Wuyts 2005

Christelijke inspiratie
Tegen het einde van de Oudheid raakte de christelijke houding van naastenliefde tegenover arme, zwakke en gehandicapte mensen ruimer verspreid. In de vierde eeuw werd het Christendom als Romeinse staatsgodsienst erkend.
De zeven werken van barmhartigheid werden genoteerd door de evangelist Matteüs die met de woorden van Jezus Christus besluit: 'Al wat gij gedaan hebt voor één der geringsten van Mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan. (Matteüs, 25.40). De dagelijkse praktijk was, spijtig genoeg, dikwijls anders. Veel meer dan enige bereidheid tot aalmoezen gebeurde er niet.
Bron: B. Wuyts 2005