Middeleeuwen

Vroegmiddeleeuwse liefdadigheid

In de zesde eeuw kwam in de Lage Landen met de steun van de Merovingische koningen een sterke missionering op gang. Er werden kloosters en kloostergasthuizen op het platteland gebouwd. Aan de poorten schonken monniken dagelijks aan armen, zieken, blinden en lichamelijk gehandicapten aalmoezen en enige zorg. Liefdadigheid was een christelijke plicht. Bron: B. Wuyts, 2005

Handicap als stigma

Echte medische behandeling kwam in de vroege middeleeuwen niet meer aan bod. Waarom zou men het lichaam immers proberen te genezen in een tijd waarin ziekte en lijden als een straf of als een loutering van de ziel werden beschouwd? Een lichamelijk gebrek vanaf de geboorte of na een ziekte werd dikwijls als een straf van God of als een bezetenheid door de duivel gezien. Wie ernstig gekwetst werd door oorlog of ander geweld had pech en was misschien wel laf. Daarnaast werd een lichamelijke en een zintuuiglijke handicap ook veroorzaakt door toepassing van het middeleeuws strafrecht. Aan een dergelijke handicap kleefde dus vaak letterlijk een brandmerk, een maatschappelijk stigma met de betekenis van 'te mijden'. Bron: B. Wuyts, 2005

Stedelijke liefdadigheid en zorg

Met de uitbreiding van de steden in de Lage Landen vanaf de elfde eeuw, verschoof de liefdadigheid geleidelijk van de kloosters op het platteland naar stedelijke instellingen. Men stichtte gasthuizen of hospitalen o.a. voor melaatsen en pestlijders, passantenhuizen voor rondtrekkende pelgrims en armen, godshuizen of 'hofjes' voor 'behoeftigen' , armentafels en dolhuizen voor 'onrustige krankzinnigen' (o.a.in 15 e eeuw: huis Reynier van Arkel in 's Hertogenbosch en Willem Arntsz in Utrecht). In deze dolhuizen werden de 'razenden' als gevaarlijke honden aan de ketting gelegd en geïsoleerd in afzonderlijke cellen. Dit was toen een algemeen verspreid gebruik in heel West-Europa. Bron: B. Wuyts, 2005

Lepra of melaatsheid

Mensen met lepra gebruikten in de Middeleeuwen een lazarusklep om hun komst aan te kondigen. Door het geratel van de klep was iedereen gewaarschuwd en zo kon besmettelijke aanraking worden voorkomen. In de klep zat ook een ronde holte voor aalmoezen. Melaatsheid of lepra was in het middeleeuwse Europa een veel voorkomende, besmettelijke ziekte. Een lepralijder werd vanwege het besmettingsgevaar verbannen uit de maatschappij. Hij of zij kreeg naast de lazarusklep ook een drinknap, een schotel en speciale leprozendracht als uitrusting. De dracht bestond uit een mantel en een hoed met een opvallende witte band erom heen. Melaatsen waren totale outcasts die door de maatschappij als dood werden beschouwd. Ze kenden een akelig bestaan, waarin ze nooit tot iemand mochten spreken en afhankelijk waren van liefdadigheid. Pas in de zeventiende eeuw verdween lepra uit onze contreien. (Bron: Nederlands Centrum voor Volkscultuur).

Leprozengilden

Oprichting van verenigingen van mensen met lepra in verschillende plaatsen in Nederland, de leprozengilden. Ze hadden tot doel "om onder de eigen leden een godvruchtige en sobere levenswijze te bevorderen. Zij hoopten op die manier hun positie in de marges van de samenleving zoveel mogelijk te verstevigen.[...] Het ging er alleen om de belangen van de eigen groep te behartigen; in gildenverband hoopte men juist sterker te staan tegenover 'vreemde' leprozen."

1400-1800 Kleine mensen

Het was gebruikelijk in deze tijd dat er aan het Hof een zogenoemde Hofdwerg werkte, een klein mens in dienst van de heerser van het rijk. Kleine mensen waren vaak in dienst als hofnar, als vermaak. Sir Jeffrey Hudson (1619- ca 1682) bijvoorbeeld, bekend als Lord Minimus was een 'entertainer' van de Engelse koningin Henriette Maria van Frankrijk. Maar hij lijkt ook een vertrouweling te zijn geweest. Hij vluchtte met de koningin naar Frankrijk. Later werd hij weggestuurd van het Hof toen hij een man in een duel doodde, nadat deze hem beledigd had. Maar kleine mensen hadden soms ook andere functies.

Don Diego de Acedo was van 1635-1660 aan het Hof van Philip IV van Spanje actief als onder-secretaris van de vorst, en als grootzegelbewaarder. Hij was bekend als 'el Primo', de neef. Hij is afgebeeld op een olieverf schilderij van Diego Velázquez uit ca 1645, in een serie van protretten van kleine mensen en narren aan het hof van Philip IV. De schilderijen waren bedoeld om in het jachthuis van de koning te hangen. Het schilderij hangt nu in het Museo del Prado in Madrid. Don Diego de Acedo is met respect afgebeeld, lezend in een boek, met andere boeken, een inktpot en een veer naast hem op de grond. 

Jozef Boruwlaski werd geboren in Polen (1739-1837). Hij werkte aan het Hof van koning Stanislaw II van Polen. Hij gebruikte de titel Count, Graaf. Later trouwde hij en toerde langs Europese hoven als muzikant. Hij trad op in Polen, Oostenrijk, Duitsland, Engeland, Schotland en Ierland. Boruwlaski was een goede violist en gitarist die zijn eigen composities speelde. Soms werd hij door geldproblemen gedwongen om zichzelf voor geld te vertonen, wat hij enorm vernederend vond. In 1820 verscheen zijn autobiografie 'Memoirs of Count Boruwlaski'. Toen hij ouder werd accepteerde hij de uitnodiging om in Durham te wonen. In 1837 stierf hij daar op 97 jarige leeftijd.  Bron: en.wikipedia.org geraadpleegd 12-05-2021 en B. Gevaert, 2017